

In het artikel in de De Standaard van 8 april onder de titel “Stop de Hondenterreur” roept Isabel Albers op om drastische maatregelen te nemen in het bestrijden van de overlast die door honden wordt veroorzaakt. Gelet op het hoge aantal honden, maar vooral op de ernst van een weliswaar vrij beperkt aantal bijtincidenten lijkt het inderdaad noodzakelijk dat maatregelen worden genomen. Tot daar kunnen we het alleen maar met de auteur eens zijn.
Hondenterreur in de politiek
Het is echter manifest onwaar dat dit geen thema is in de politiek. Wie wil kan er de verslagen van de senaat en de kamer vanaf 2000 tot nu eens op na slaan. Herhaaldelijk zijn werkgroepen gevormd, deskundigen gehoord, voorstellen ingediend door politici van alle partijen om telkens weer tot de conclusie te moeten komen dat er ofwel geen wetenschappelijk ofwel geen maatschappelijk draagvlak voor de maatregelen was. De Dangerous Dog Act en de Regeling Agressieve Dieren waar ze naar verwijst als voorbeeld, hebben op geen enkele manier geleid tot een daling van het aantal of de ernst van de ongevallen. Ook de Franse wetgeving die momenteel als voorbeeld dient voor de Franstalige politici in dit land om hun voorstellen op te enten, heeft geen enkele positieve invloed kunnen laten vaststellen. Is er dan geen oplossing mogelijk? Die is er zeker, maar ze zal moed vragen. Het antwoord bestaat uit het evenwichtig uitbouwen van twee pijlers, twee pijlers die gelijk moeten groeien of de ganse constructie valt uiteen zoals het verleden heeft aangetoond.
Preventie en repressie
De eerste pijler is die van de preventie. Het merendeel van de bijtincidenten doet zich voor in familiekring met de eigen of een bekende hond. Telkens weer is het verhaal hetzelfde: er zijn voorafgaandelijk al duidelijk aanwijzingen geweest dat de hond problemen had met een bepaalde situatie. Deze aanwijzingen worden genegeerd en uiteindelijk gebeurt een bijtincident.
Leer hondentaal
Men negeert de aanwijzingen omdat men ze niet opmerkt door een gebrek aan kennis van de hondentaal, maar vaak ook doordat men er verkeerdelijk vanuit gaat dat de eigen hond nooit zal bijten. Onderzoek in het buitenland naar de perceptie van de familiehond door de eigenaars heeft dit reeds meerdere keren uitgewezen. Preventie voor ongevallen in huiselijke kring is een kwestie van voorlichting en opvoeding. Programma’s als “De Blauwe Hond” zijn specifiek ontworpen voor dit doel. Alleen…meestal zijn het de bewuste eigenaars die dit soort programma’s gaan oppikken en blijft de rest gewoon alles negeren. Aanleren van lichaamstaal van huisdieren als onderdeel van het lesprogramma op verschillende leeftijden helpt niet alleen die kinderen die een hond hebben, maar ook deze die met honden geen ervaring hebben. Op die manier ga je op termijn de ganse bevolking bereiken. Kinderen zijn tevens de beste leermeesters voor de ouders.
Reageer adequaat
Belangrijk is ook de secundaire preventie: snel en gepast reageren op de eerste tekenen van gevaar. Dit kan aangeleerd worden, alleen is het zaak om bij elke situatie waarbij er van de hond uit signalen worden verstuurd dat hij het moeilijk heeft deskundig advies te vragen aan mensen die in dit soort problemen zijn gespecialiseerd. Daar wringt vaak het schoentje: iedereen voelt zich geroepen om deskundig te zijn of zich als dusdanig te profileren. Deskundigheid heeft niets te maken met exclusiviteit voor bepaalde diploma’s, maar alles met beroepsernst en zichzelf in vraag stellen, met het kennen van eigen limieten en deze proberen aanvullen met de hulp van anderen.
Wie is deskundig?
Momenteel kan iedereen zich therapeut voor huisdieren noemen, gedragsbegeleider, hondenfluisteraar of hondenpsycholoog, hierbij al dan niet ondersteund door de media. Duidelijk is hiervoor een objectieve en transparante regeling gewenst, aangevuld met een professionele verantwoordelijkheid voor het uitgebrachte advies. Verder houdt preventie in dat alle betrokkenen, van fokker tot hondenschoolinstructeur hun verantwoordelijkheid nemen en dat de wetgever er voor zorgt dat die moet genomen worden. De voorwaarden om honden te mogen fokken of instructeur op een hondenschool te mogen zijn, zijn onbestaande. Niemand moet bewijzen over enige kennis te beschikken, in het beste geval krijgt men een korte opleiding en een examen van de overkoepelende vereniging. De waarde daarvan laat zich raden. De structuur van vele hondenscholen die louter draaien op vrijwilligers en van megafokkerijen die enkel fokken voor de groothandel is daar niet vreemd aan. Hier iets aan veranderen zal meer dan politieke moed vragen. Belangengroepen hebben stevige verankeringen in de meeste politieke partijen en hebben de voorbije jaren bewezen hun belangen perfect te kunnen verdedigen door elke wetswijziging te blokkeren of af te zwakken tot er een leeg blad over bleef.
Verantwoordelijkheid van de burger
Verder is het zo dat iedere persoon die weet heeft van een situatie die een reëel gevaar in zou houden voor het welzijn van een kind, gehouden is daar melding van te doen aan de verantwoordelijke instanties. Dergelijke meldingen zijn anoniem en moeten worden opgevolgd. Het bekend maken aan het publiek van deze mogelijkheid zou een aantal mensen kunnen overtuigen om situaties waarbij kinderen moeten verder samen leven met honden die bewezen hebben in deze omstandigheden niet betrouwbaar te zijn, aan te klagen waardoor ze een gepaste opvolging zouden kunnen krijgen.
Veiligheid in openbare plaatsen
Naast dit alles zijn er problemen op de openbare plaatsen waar mensen worden lastig gevallen of gebeten door al dan niet loslopende honden. Er is voldoende wetgeving om dit aan banden te leggen en ook hier geldt dat duidelijkheid in de communicatie van de overheid naar de burgers moet bestaan. Een verbod op het laten loslopen van honden invoeren in het politiereglement, maar vervolgens nergens toepassen geeft de indruk dat het allemaal niet zo nauw moet genomen worden. Te vaak hebben gemeentebesturen een reglement gemaakt dat enkel dient om zich later achter te verstoppen. Voor dit soort problemen is in 2000 op het congres dat door minister Aelvoet was georganiseerd als oplossing de invoering van hondenmeldpunten gesuggereerd. Dit is nadien opgenomen in het veiligheidsplan van de paarsgroene regering, alleen werd het nooit uitgevoerd. Waar het al bestond (Antwerpen) en goede resultaten had, is het afgeschaft omdat dit geen prioriteit was.
Hondenmeldpunten voor inventarisatie
Toch is inventarisatie van de problemen, de honden en de eigenaars die ervoor verantwoordelijk zijn, de eerste basis om het beheersbaar te maken. Elke melding ernstig nemen en onderzoeken zal heel wat onverantwoorde hondeneigenaars overtuigen om toch maar maatregelen te nemen. Op die manier gaat men ook bijdragen aan het veiligheidsgevoel en de werkelijke veiligheid van de burgers.
Behoeften van de hond
Anderzijds moet een beleid ook oog hebben voor de behoefte van dieren en hun eigenaars aan ruimte om natuurlijk gedrag te vertonen. In steden zal dit inhouden dat er zones moeten zijn waar dieren onder welbepaalde regels ook vrij mogen loslopen. Hondenweides die voldoende groot zijn en waar permanent toezicht is moeten beschikbaar worden gesteld. Men kan gerust via een systeem van pasjes en openingsuren bepaalde zones beschikbaar maken voor loslopende honden, voor aangelijnde honden en op andere uren voorbehouden aan joggers of fietsers. Nu wil iedereen op hetzelfde moment op dezelfde plaats de absolute vrijheid hebben te doen wat hij wil zonder met de anderen rekening te moeten houden.
Responsabiliseren eigenaars
Rest dan nog als tweede pijler de repressie door bestraffing. Ook daar is er in de huidige wetgeving ruimte genoeg om op te treden wanneer iets is gebeurd. Indien men voldoende aandacht geeft aan de straffen die worden uitgesproken bij ernstige overtredingen, dan gaat dit een afschrikfunctie kunnen hebben. Maar bestraffing eist dat ieder ongeval op een ernstige wijze wordt onderzocht. Helaas wringt daar opnieuw vaak het schoentje. Onderzoek wordt door burgemeesters meestal overgelaten aan een kennis of een kennis van een kennis.
Provinciale commissies
Het voordeel dat de huidige wetsvoorstellen hebben is dat ze ten minste een soort uniformiteit willen brengen in de beoordeling door het invoeren van een provinciale commissie. Deze commissie zou idealiter moeten bevolkt worden door diverse deskundigen die ieder over een zo volledig mogelijke informatie moeten kunnen beschikken. Gedragsdeskundigen moeten oordelen over de hond op basis van alle beschikbare informatiebronnen, andere deskundigen over het milieu waar de hond in moet leven. Beiden moeten het recht hebben om een veto te stellen tegen een verder verblijf van de honden op die plaatsen waar de veiligheid van derden niet kan worden gewaarborgd. Het psychologisch profiel van de eigenaars zal daar een belangrijke rol in spelen. Het is niet aan hondengedragstherapeuten of dierenartsen om daar over te oordelen, net zoals een maatschappelijk werker of humaan psycholoog niet geplaatst is om met kennis van zaken over het dier uitspraken te doen. Natuurlijk mogen we in dit ganse verhaal ook het belang van de hond niet vergeten, het belang van de hondeneigenaar en het belang van de maatschappij. Een zorgvuldig evenwicht moet gezocht worden. Dat vraagt moed, tijd, middelen en creativiteit. De vraag is dan ook of de maatschappij daar wil in investeren of uit gemakzucht en kortzichtigheid zijn toevlucht nemen tot schijnmaatregelen.
De rol van de pers
De pers kan hierbij een grote rol spelen. Niet door het lanceren van slogans, maar door permanent te berichten over de ontwikkelingen. Met een beetje goede wil van alle betrokkenen is het aantal bijtincidenten snel en afdoende terug te dringen. Dan zal blijken dat honden en mensen perfect op elkaar zijn ingespeeld en veilig kunnen samen leven. Beiden zijn het sociale wezens die doorheen de voorbije 20000 jaar in nauw contact met elkaar zijn geëvolueerd. Wie wil kijken zal zien dat de voordelen van dit samen leven nog steeds oneindig veel groter zijn dan de nadelen die er uit voortvloeien.
Rudy De Meester
Deze tekst is eerst gepubliceerd in het VDV Magazine. Maart 2009.